Simten Goren

Simten Goren bracht haar jeugd door in een stad in het oosten van Turkije. Op haar 12e maakten haar ouders een nieuw begin, zij verhuisden van Erzurum naar Istanbul. Simten was toen een puber en de verandering was groot voor haar.
Toen zij 27 jaar was leerde zij op haar werk een Israëlische man kennen, hij woonde in Amsterdam. Zij werden verliefd en nu koos Simten zelf voor een nieuw begin in haar leven door naar Nederland te emigreren en bij hem in te trekken.
In het Vondelpark interviewde ik haar over haar nieuwe leven in Nederland.

Waarom kozen jullie ervoor dat jij naar Nederland kwam, en niet hij naar Turkije?

We kozen voor Amsterdam omdat hij in die tijd al een hele goede baan had als onderzoeker. Hij is ouder dan ik en was al min of meer gesetteld. We hadden er goed over nagedacht en het leek ons het beste als ik de stap nam, ik stond nog aan de start van mijn loopbaan en had nog alle kansen, zo dachten wij. Ik zou eerst een jaar de Nederlandse taal leren en daarna gewoon doorgaan met mijn werk als dierenarts, dat ik in Turkije al deed.

Maar het liep anders?

Ja, ik begrijp achteraf gezien niet waarom ik dat dacht, maar mijn verwachting was dat ik binnen een jaar de taal zou leren. Zoals ik nu weet bleek dit totaal niet realistisch. Toen ik 2 weken in Nederland was startte ik direct met de cursus ‘Nederlands als tweede taal’ aan de Universiteit van Amsterdam. De cursus zou anderhalf jaar duren. Na verloop van tijd kon ik alles lezen maar ik durfde nog niet te praten. Ik wilde pas Nederlands praten als ik de taal helemaal goed zou beheersen. Na drie jaar kwam het moment waarop ik dacht dat dit nooit het geval zou worden, waardoor ik besloot dat als een handicap te accepteren. Toen begon ik Nederlands te praten, met al mijn fouten, en de taal beter te leren.
In de tussentijd had ik ook mijn diploma’s die ik in Turkije had behaald om te mogen en kunnen werken als dierenarts naar het Nuffic gestuurd, dat is het instituut dat buitenlandse diploma’s omzet naar een Nederlandse waardering. Volgens het Nuffic moest ik nog vier jaar in Nederland studeren om mijn diploma’s in Nederland geldig te maken, en dat wilde ik niet. Ik was inmiddels al 30 jaar, en om als dierenarts aan de slag te kunnen moest ik dus nog een keer de studie die ik al afgerond had overdoen. Het was een enorme tegenvaller, ik had al bijna alles achter gelaten in Istanbul: mijn familie, mijn vrienden en mijn sociale status. Nu kwam daar ook nog een keer mijn beroep bij.

Wat heb je toen gedaan?

Ik besloot: Als ik ga studeren, dan ga ik iets anders doen dat ik ook heel leuk vind. Dat werd Pedagogiek. Zo had ik een tweede land, een tweede taal en een tweede beroep. Zo is het gegaan. Het eerste jaar volgde ik de studie deels in het Engels aan de universiteit. Ik zat in een heel andere levensfase dan mijn medestudenten die zo’n 10 jaar jonger waren dan ik en had daardoor weinig aansluiting. Daarom ben ik na het behalen van mijn propedeuse verder gegaan met de hbo-opleiding Pedagogiek. Tijdens deze studie was het voor mij ook mogelijk om ernaast te werken en mijn Nederlands verder te ontwikkelen.

Voor jouw man was jouw komst ook een hele verandering.

Ja, voor mijn man is Nederlands ook zijn tweede taal. Hij woonde echter al 25 jaar in Amsterdam toen ik bij hem kwam wonen, dus hij was al helemaal gewend in Nederland. Toen ik bij hem introk was er opeens iemand die afhankelijk was van hem. Ook al wilde ik niet afhankelijk zijn, ik sprak de taal niet en kende de gebruiken niet. Het was voor ons allebei behoorlijk wennen, veel meer nog dan we van tevoren hadden bedacht.

Wat zou je achteraf gezien hebben gedaan om jezelf beter voor te bereiden op wat je te wachten stond?

Ik heb niet de beslissing genomen: Ik emigreer en word een migrant. Zo was het absoluut niet. Ik wilde een jaar blijven om te kijken of ik het leuk zou vinden in Nederland. Ik had dus een ander tijdsbesef voor mezelf gecreëerd. Hierdoor was de verandering voor mij te behappen.
Als ik van tevoren had bedacht dat ik na 30 jaar nog steeds in Nederland zou zijn, dan had ik het misschien niet eens gedaan. Dan was de verandering te groots geweest.

Hoe kijk je nu terug op je beslissing destijds?

Meestal denk ik: Het was een geweldige beslissing, dan ben ik er trots op dat ik destijds de stap heb gezet. Maar er zijn ook momenten of gevolgen die ik destijds niet kon overzien.
Bijvoorbeeld het feit dat mijn ouders oud werden. Mijn vader is inmiddels overleden en mijn moeder woont nog in Istanbul, net als mijn broer en zus. Er zijn periodes geweest dat ze me nodig hadden en ik er niet voor ze kon zijn. De emigratie heeft dus gevolgen gehad voor mijn verdere leven waar ik gelukkig als jong mens niet bij stil heb gestaan. De confrontatie met je keuze dat je geografisch gezien zo ver weg bent van familie had ik niet voorzien. Als je jong bent kies je alleen voor jezelf, later zie je pas de relaties.
Ik heb nu een zoon, hij is 23. Vanaf het moment dat hij er was wist ik: elke keuze die ik nu maak heeft ook impact op hem. Hij is Amsterdammer. Al zou ik het willen, ik zou nu niet kunnen besluiten om terug te gaan. Ik heb nu factoren in mijn leven die groter zijn dan ikzelf. Ook mijn zoon zal zijn eigen keuzes gaan maken, maar het was mijn keuze om een kind te krijgen in Nederland.

Wat heeft je emigratie je opgeleverd?

Het heeft me verrijkt, ik ben gegroeid als mens. Ik weet zeker dat ik nu een heel ander mens ben dan wanneer ik als dierenarts was blijven werken. Pedagogiek heeft me laten groeien, en door alle opleidingen en nascholingen doet het dat nog steeds. Niet alleen als professional, maar ook als mens. Ook denk ik dat ik als mens ben gegroeid van het leven in een ander land, met een andere taal en cultuur. Ik geef trainingen aan onderwijskrachten en ben zó trots als ik iets bereik tijdens een training, als er daadwerkelijk iets gebeurt. Op zo’n moment realiseer ik me dat ik in mijn tweede taal, en tweede cultuur, iets teweeg kan brengen. Dat ik daartoe in staat ben, daar ben ik dan zelf van onder de indruk.
Ook als ik in mijn eigen cultuur hetzelfde werk had gedaan dan had ik minder geleerd. In mijn vertrouwde cultuur zou ik veel meer kunnen leunen op vanzelfsprekendheden waar ik niet over na zou hoeven denken. Maar werken in een andere cultuur betekent dat je veel bewuster bent van jezelf en je omgeving.
En dat geldt ook voor mijn opleiding. Als mijn diploma als dierenarts erkend was in Nederland dan had ik nu als dierenarts gewerkt en had ik zoveel mooie ontwikkelingen niet mee gemaakt. Het bericht van het Nuffic was voor mij destijds een dieptepunt, maar het heeft me zoveel moois gebracht!

Aankomst in mijn buurt

Ik kwam in aanraking met het ontmoetingsonderwijs, ik heb een keer een gastles gegeven en ook kwamen er kinderen via ‘aankomst in mijn buurt’ een keer op bezoek bij mij thuis. De Amsterdamse stichting ‘In mijn Buurt’ staat voor leren door ontmoeting. Leerlingen worden gekoppeld met als doel begrip voor de ander te creëren en vooroordelen te doorbreken. Tijdens persoonlijke ontmoetingen interviewen de kinderen ouderen over een deel van de Nederlandse geschiedenis, zoals koloniaal verleden, migratie of de Tweede Wereldoorlog. In workshops leren de kinderen hoe zij zelf de verhalen kunnen doorvertellen. Vaak hebben de kinderen zelf ook een niet-Nederlandse achtergrond.
De vragen die de kinderen mij stelden gingen over hoe mijn begin in Nederland was, maar ook wilden ze bijvoorbeeld weten welke spelletjes ik als kind speelde. Vaak is er herkenning omdat veel Turkse kinderen deze spelletjes nu ook nog spelen, dat is altijd leuk. Maar het meest geïnteresseerd zijn ze eigenlijk toch in Koko, mijn hond. Zo zijn kinderen.

Amsterdammer

Laatst verzorgde ik een gastles bij een basisschool. Het was een bijzondere klas: van de achttien kinderen had er slechts één Nederlandse oorsprong, de rest van de klas had allemaal een migranten- achtergrond. Ik vertelde hen, dat als je aan mij vraagt ‘Ben je een Nederlander of een Turk?’, dat ik dan antwoord met ‘Beide niet. Ik voel me Amsterdammer. Ik woon hier al 30 jaar, heel veel dingen herken en waardeer ik in Amsterdam en ik voel me hier thuis.’ De docent vroeg aan de kinderen: ‘Hoe is dat bij jullie?’ Stuk voor stuk noemden de kinderen het land van herkomst van hun ouders. Allemaal. Ik moest bijna huilen. Hoe is het mogelijk dat het binnen ons onderwijs niet is gelukt om deze kinderen hun meervoudige identiteit te laten ontwikkelen? Ik reageerde verbaasd en zei hen: ‘Jongens, jullie zijn de toekomst van de stad! Jullie zijn Amsterdammer.’ Het werd stil, en ik zag ze nadenken. Alsof deze mogelijkheid nog nooit eerder was opgekomen. Dit gesprek wordt dus niet met hen gevoerd, niet thuis, en ook niet op school.
Ik zou willen dat voor deze leeftijdsgroep, 11- en 12- jarigen, dit aspect meer en explicieter aan de orde komt, in het onderwijs of bij initiatieven zoals ‘aankomst in mijn buurt’. Het is deze leeftijd waarop ze bezig zijn met het ontwikkelen van hun identiteit. Op individueel niveau kun je heel veel doen. Natuurlijk, op systeemniveau moet er ook veel gebeuren.
Er is zeker sprake van discriminatie bij het vinden van stageplekken en het systeem is niet inclusief maar heeft nog heel veel uitsluitingsmechanismen, dat weten we allemaal. Maar het systeem veranderen kun je alleen gezamenlijk en dat duurt lang. En individueel kun je al zóveel doen, dáár begint het. Al bereik je maar 10 kinderen.

Is het niet bijzonder dat kinderen in 2019 het land van hun ouders als hun identiteit noemen, terwijl jij, zelf in Turkije geboren, jezelf juist als Amsterdammer omschrijft? Zou het niet eerder andersom moeten zijn?

Ja, andersom zou logischer zijn!
Nederland verandert, toen ik hier kwam in 1989 was de multiculturele samenleving helemaal top! Het was niet mogelijk om hier enige kritiek op te uiten, dat mocht gewoonweg niet. Migranten die hier kwamen werden niet gedwongen om de taal te leren of te integreren. Ik was daar verbaasd over, ook toen ik begon met werken. Ik zag vele hiaten en zag ook hoe noodzakelijk het was om de taal te leren. Maar men vond het allemaal prima, zo leek het.

In 2000 schreef Paul Scheffer Het multiculturele drama. Dit was het moment dat er wat gezegd mocht worden. Het ongenoegen was er natuurlijk al lang maar nu mocht het er eindelijk uit. Niet veel later kwam Pim Fortuyn in de politiek en daarmee ontstond er meer en meer verharding. En toen kwam 9/11, dat was het definitieve keerpunt. Vanaf dat moment is Nederland onherkenbaar veranderd ten opzichte van het Nederland waar ik me vestigde. Mijn Marokkaanse student zei tegen me: “Voor 9/11 zei ik altijd tegen mijn 4-jarige dochter: je bent een Nederlander, maar twee jaar later na deze gebeurtenis zeg ik: Hoe goed je het ook doet, maak je geen illusies: je blijft een Marokkaan.’
Dit is wat zij had ervaren. Het is ons niet gelukt om de verharding terug te draaien en dit zijn de naweeën, kinderen die zich geen Nederlander voelen en ouders die dit niet mee geven.
Ik maakte 30 jaar geleden een nieuwe start in Nederland, maar Nederland heeft ook een paar nieuwe beginnetjes gemaakt op dit thema. Een verhardende samenleving maakt je ook bewuster van de ander en je eigen identiteit, je moet het ergens van hebben.

Herstel

De verandering van multicultureel paradijs naar multicultureel drama is niet zomaar hersteld. Hiervoor is het primaire onderwijs echt belangrijk, we hebben bewogen docenten nodig met een missie. De dialoog hierover voeren vraagt confrontatie en het is ongemakkelijk. Docenten moeten om kunnen gaan met ongemakkelijke momenten en het feit dat ze dingen te horen krijgen die ze niet leuk gaan vinden. Je moet deze spanning op een goede manier kunnen kanaliseren, zodat je constructief met elkaar in gesprek kunt. Het is verleidelijk om te kiezen voor de makkelijkste weg maar die zorgt niet voor een stevige basis. Het primaire onderwijs gaat vooraf aan de puberteit, als ze echt gaan vormen, daarom is de rol van het basisonderwijs zo van belang.

Jubileum

In juli 2019 ben ik precies 30 jaar in Nederland. Een speciaal moment, ik leef nu langer in Nederland dan dat ik in Turkije heb geleefd. Mijn hele volwassen leven heeft zich hier afgespeeld. Voor mij is het wel een moment om even stil te staan, ook los van mijn migratie. Ik ben namelijk ook over een paar jaar 60 en kom in een levensfase waarin ik me af ga vragen welke bijdrage ik nog wil leveren. Ik ben hartstikke tevreden over vele zaken in mijn leven. De behoefte om op te bouwen heb ik niet meer, maar ik wil wel graag nog iets mee geven, en tegelijkertijd moet dat ook leuk zijn voor mezelf.

En?

Ik denk veel meer terug naar uitvoerend werk, direct werken met ouders. Dat is wat ik 30 jaar geleden heb gedaan. Nu werk ik met docenten en is mijn contact met doelgroep indirect. Ik zou graag een kleinschalig project willen doen waarbij ik handson een verschil kan maken in het leven van mensen, dat is wat ik wil.
Antwoorden vinden op de vragen: Hoe kun je 20 ouders van leerlingen van een basisschool zoveel ondersteunen en helpen waar nodig, zodat de kinderen het goed gaan doen, en welke ondersteuning heeft de school nodig, maar ook: wat kun je doen in de buurt?
Dit deed ik 30 jaar geleden en dat was echt waardevol. Dus daar geloof ik heel erg in, om het verschil te maken op dat niveau. Het zou zo mooi zijn als ik dat nog zou kunnen doen.

Stel dat je zoon besluit om te emigreren, wat zou jouw advies dan zijn?

Mijn advies is altijd: volg je hart. Het is zíjn leven. Dit is hoe ik in mijn leven deze ervaringen heb opgedaan, hij heeft het recht op zijn eigen ervaringen en om zijn eigen proces te volgen.
En 30 jaar geleden was emigreren echt een issue hoor, er was geen internet en bellen was 1,75 gulden per minuut! Gelukkig was ik in de goede omstandigheden dat ik in de eerste twee jaar 4 á 5 keer per jaar naar Turkije kon gaan. Dat moest ook wel, voor mijn gevoel had ik dat nodig om te overleven. Maar vele migranten konden dat niet, velen moesten knokken voor elke cent.
En mijn migratie was een liefdesmigratie, ik had er zelf voor gekozen. Ik mag ook niet klagen, want ik had het relatief gemakkelijk. Maar ik kende wel degelijk moeilijke momenten. Ik stuurde brieven naar mijn moeder, broertje en zusje. Toen mijn vader overleed kwam ik de brieven tegen. Mijn moeder had alles bewaard. Nu kun je gewoon een videogesprek voeren. De tijd is heel anders, als mijn zoon zou emigreren dan zou hij het ook heel anders beleven dan ik destijds. Als ik destijds had kunnen Skypen met mijn ouders dan had mijn integratie misschien wat langer geduurd, maar dan had ik wel meer steun ervaren. Ik ging met regelmaat naar de bibliotheek waar één of twee Turkse kranten lagen met nieuws van een week oud. Oud nieuws met alleen maar Turkse letters, en ik was daar zo blij mee. Ik kwam daar ook elke week dezelfde types tegen, ook met hun neus in oude kranten. Dat was mijn sociale omgeving.

Verloren

Toen ik een jaar in Nederland was stond ik op het Leidseplein en ik dacht: Niemand kent me. Ik ken niemand. Ik snap de taal niet. Het is een verloren gevoel, alsof je geen verleden hebt, en ik vroeg me af: ‘Wordt het ooit hier een normaal leven?’ Ik zag een moeder met haar dochter koffiedrinken in de Bijenkorf, en ik moest huilen. Hele vanzelfsprekende dingen, zoals vrienden die je goed kennen, ontbraken in mijn leven. Mijn man kende me ook nog niet zo goed, we kenden elkaar een jaar toen ik naar Nederland kwam. Maar écht kennen is een heel ander verhaal. Dat iemand kan zeggen ‘Ja, dat is nou typisch Simten.’ Dat wilde ik zó graag van iemand horen! Maar zo iemand was er gewoon niet.
Deze situatie dwong me ook om zelf na te denken: ‘Wie ben ik eigenlijk?’ Als alles weg valt kun je dat alleen nog zelf bedenken. En die zoektocht was ook heel waardevol.
Ik heb ook geleerd om niet meer fysiek te missen. De emotionele binding is niet veranderd, maar de behoefte om familie bijvoorbeeld aan te kunnen raken is minder. Dat is niet bewust gegaan, maar daarvan heb ik achteraf bedacht dat het een overlevingsstrategie moet zijn geweest.

Wat zijn de belangrijkste lessen die je hebt geleerd?

Als ik mijn nieuwe begin heel groot had gemaakt dan had ik het waarschijnlijk niet gedaan. Ik ben gestart met een jaar. Als je erover nadenkt is iedere kleine stap die je maakt een grote verandering. Veranderingen gaan nooit in één keer. Sterker, als je een grote verandering wenst dan zal je zien dat het niet snel gebeurt.
En een andere les gaat over beeldvorming. Toen ik naar Nederland kwam had ik geen enkel idee over de beeldvorming over Turkse mensen. Als ik me voorstelde aan mensen en ze vroegen me waar ik vandaan kwam dan antwoordde ik vrolijk: ‘Uit Istanbul!’. Dan werd er op gereageerd van ‘Oooh ja…’ en dan op zo’n manier dat ik me af ging vragen of er soms iets mis was met Istanbul? Waarom zeggen ze dat zo? Tot ik een jaar later in Bos en Lommer liep en daar allemaal vrouwen in lange jurken en hoofddoeken zag. Ik vroeg ‘Wie zijn deze mensen?’ en iemand antwoordde ‘Dat zijn Turkse migranten.’ Toen kon ik de reacties plaatsen. Dit was dus het beeld als het gaat over Turkse migranten, en daar paste ik niet in.
Mensen denken nu eenmaal in hokjes, en dat merk je alleen als je niet tot de norm behoort. In Istanbul was ik de norm, daar leken de mensen op mij. Ik zag in Istanbul geen lange jurken en hoofddoeken. Nu wel hoor, nu heel veel. Maar destijds niet. Dus met een migratie krijg je ook de beeldvorming om je heen mee.

Heb je nog steeds last van die beeldvorming?

Over het algemeen kan ik er goed mee omgaan, bijvoorbeeld als ik iets lees over Turken in het algemeen. Maar als ik er in mijn persoonlijke leven mee geconfronteerd wordt, met collega’s bijvoorbeeld of andere mensen waar ik tijd mee door breng, dan raakt het me.
Ik werd bijvoorbeeld eens gevraagd om te helpen collecteren voor het Nederlands Kinderfonds. Ze hadden weinig vrijwilligers en ik besloot ze te helpen. Ik werk tenslotte ook op een school dus ging met de collectebus naar mijn werk. Ik opende vrolijk de deur van de eerste kamer, waar op dat moment drie collega’s aanwezig waren. Ik begon: ‘Mag ik even aandacht voor… ‘ .. Ze draaiden zich om, keken naar de collectebus, en één collega onderbrak me met: ‘Sorry Simten, maar ik geef geen geld voor kinderen in Turkije. Als ik iets heb dan geeft ik het aan Nederland.’ Ik begreep het niet en ik zei: ‘Nee joh, het gaat niet om kinderen in Turkije, het gaat om Nederlandse kinderen.’ En bij de tweede kamer werd precies zo gereageerd. Bij de derde kamer zei een collega: ‘Ik geef geen geld voor een moskee.’ Ik vroeg hem hoe hij erbij kwam dat ik voor een moskee aan het collecteren was. Hij had eenzelfde collectebus gezien bij zijn Turkse slager.
Dat zijn de momenten waarop ik me realiseer dat mijn sociale identiteit afhankelijk is van deze mensen en dit is blijkbaar wat ze nog ergens in hun onderbewuste hebben. Ik zit bij hen in een hokje, waarin ik niet in staat ben om geld in te zamelen voor Nederlandse kinderen. Kun je het je voorstellen? Zulke momenten raken me. Dan begrijp ik zo’n Marokkaanse moeder wel die haar dochter wil voorbereiden op dit soort momenten. Aan mij kun je niet zo snel zien dat ik Turks ben dus ik word er minder vaak mee geconfronteerd. Toch sta ik er versteld van, hoe kun je als mens zo beperkt zijn, dat we niet in staat zijn om buiten de hokjes te kunnen kijken, de mens te kunnen zien.
Zeker met collega’s waar ik notabene al vier jaar mee samen werk! Ik ben het gesprek niet aan gegaan met de collega die dit zei. Het is te dichtbij, en ik wil het niet persoonlijk maken, dan ben ik degene met een probleem.

Wetende wat je nu weet, zou je het nog een keer doen?

Ja! Ik heb hele leuke mensen om me heen, hele leuke vriendinnen, een leuke baan, en de vrijheid om te zijn wie ik ben. En in Istanbul wonen ook mensen die in hokjes denken, dat is menselijk, daar kunnen mensen niet veel aan doen, het enige dat kan helpen is zelfreflectie.
Alleen merk ik zelf in Istanbul niet zoveel van het hokjes denken, dat komt omdat ik daar de norm ben. Je merkt er alleen wat van als je niet de norm bent. Dat kan ik nu ook goed gebruiken in mijn werk, ik weet wat anders zijn is.

Dit interview is één van de bijdragen van de lente editie 2019 van TIJD-schrift.
De foto’s zijn gemaakt door Gijs Weehuizen.

Delen: Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail