Jelle en Hans, twee Elfstedentocht schaatsers.

Voor het winternummer 2019 van Tijdschrift maakte ik een dubbelportret van twee Elfstedentocht schaatsers. Jelle is vier keer begonnen aan de Elfstedentocht, Hans schaatste zijn droomtocht in 1997.

Jelle is 79 jaar geleden geboren in Stavoren en heeft 18 jaar in het westen gewoond. Na zijn loopbaan bij de politie is hij rechten gaan studeren. In 1977 is hij benoemd als gerechtsdeurwaarder in Sneek, en dat heeft hij 30 jaar gedaan. Ik belde Jelle op een zaterdagochtend, hij zat klaar voor mijn vragen met een glaasje Berenburg binnen handbereik.

JELLE BLEEKER

Hoe bent u op het idee gekomen om de Elfstedentocht te schaatsen?

Het schaatsen zit er gewoon in, vroeger als kind al met mijn vader. Ik heb altijd graag lange tochten gereden. En nog. In 1963 was ik 23 jaar en woonde ik in Amsterdam, toen belden vrienden van mij. Zij woonden in Steenwijk, waar ook mijn ouders woonden. Ze vroegen me: ‘Jelle ga je mee, we gaan een heel eind schaatsen. Het heet de Elfstedentocht.’
Ik had er weleens van gehoord maar wist er eigenlijk niet zoveel van. Ik ben toen met de trein naar Steenwijk gegaan. Ik heb weinig herinneringen aan die tocht. Het was heel koud. Ik werkte toen bij de politie in Amsterdam en dat was de winter dat de automobilisten op de voetweg mochten parkeren, zoveel sneeuw was er gevallen. Later ben ik pas gaan beseffen dat het kennelijk een erg strenge winter was.
Maar de Elfstedentocht daarna, in 1985, toen stond werkelijk alles op zijn kop. Ik woonde toen ook in Friesland dus ik zat er midden in. Rechtszittingen werden afgeblazen of uitgesteld. Het hele leven lag stil want er telde maar één ding: er kwam een Elfstedentocht.

Wat heeft u gedaan om zich voor te bereiden?

Dat verschilt per tocht. Het is natuurlijk wel zo dat je ernaartoe werkt, een Elfstedentocht komt niet uit de lucht vallen, dan is er al overal betrouwbaar ijs. Alleen in 1963 had ik niet getraind. Ik kon wel goed schaatsen. Maar wij gingen gewoon met een man of vier op pad. We kochten ’s morgens nog een startbewijs om mee te mogen doen, dat kon toen nog. Maar voor de andere tochten had ik veel geschaatst, ik kon vanuit mijn huis zo het ijs op, dus over het algemeen was ik goed getraind.
In 1986 heb ik ook wel gezorgd dat ik ’s middags geen afspraken had, en dan schaatste ik 100 km ofzo als voorbereiding. Als je die kans hebt dan moet je het gewoon doen. En die kans heb ik altijd gehad. Behalve dus in 1963 maar daar ben ik ook alles van vergeten trouwens. Het is ook wel lang geleden.
In 1997 waren we op vakantie geweest dus ik had niet zo’n gigantische voorbereiding gehad. Wij wonen aan het water dus toen we een paar dagen voor de Elfstedentocht terug in Friesland waren heb ik nog een paar dagen kunnen trainen. Ik schaatste tegen de wind in, zo’n 30 km of wat meer. Zo bekeek ik hoe ik mijn krachten kon verdelen. Want ik wilde hem toch wel graag rijden maar ik wilde niet afgaan. Maar het was kort dag.

De Elfstedentochten

De eerste keer, in 1963, werden we, samen met alle andere deelnemers, in Harlingen van het ijs af gehaald. Door de storm was er geen verschil meer te zien tussen sloot en land. Het was niet verantwoord om door te schaatsen. En wij wilden er ook af hoor, want het was beestachtig. Als we ’s morgens eerder waren gestart hadden we misschien wel door gekund, want er waren toen wel wat wedstrijdschaatsers die het wel af hebben kunnen maken.

In 1985 hadden wij een huis vol gasten. Ik schaatste samen met een vriend van mij uit Amsterdam. De organisatie van de Elfstedentocht is heel traditioneel. Ik heb het geluk gehad dat ik altijd in een vroege groep zit. Maar iedereen moet wel om dezelfde tijd over de finish zijn. De finish sluit exact 24.00 uur. Dus ik heb altijd meer tijd gehad dan iemand die op een later tijdstip start. Dat vind ik zelf niet helemaal eerlijk, maar zo is het nou eenmaal altijd gegaan en daar gaan ze denk ik ook niets aan veranderen.

Mijn stelling is altijd: Na Bolsward begint de Elfstedentocht. Dus mijn tip: probeer op souplesse en op techniek Bolsward te halen want dan heb je 100 km gehad. Na Bolsward krijg je het zwaarste stuk, merkwaardig genoeg vaak oostenwind dus dan moet je fit zijn. Zorg dus voor een goede conditie, voor goede kleding, en probeer niet idioot van start gaan. Dat nekt veel mensen. Ik heb die situaties mee gemaakt, dat er grote verhalen door de mobiele telefoon worden gehouden, vanaf het Slotermeer. Zo van: ‘We zijn daar al, en daar al. En ik heb geen muts op geen wanten aan.’ Nou, dan kun je erop wachten: die gaan in Stavoren van het ijs af, die redden het niet. Stavoren is het belangrijkste knooppunt, dan ga je van oostenwind in de rug naar oostenwind tegen. Als je daar al half gebakken bent dan ga je het daar niet redden. In de buurt van Bolsward stonden voor mij familie en vrienden klaar. Dat was nog best lastig om goed af te spreken zonder mobiele telefoon. Maar ze waren er en zorgden dat ik bouillon kreeg en een gekookt eitje. En een hart onder riem natuurlijk. En dan begon dus het zware stuk door het noorden van Friesland. We schaatsten dwars door de landerijen en zagen niet veel mensen, en het was koud. Bij Bartlehiem weet je: Ik hoef alleen nog naar Dokkum en dan terug en dan nog naar Leeuwarden en dan weet je dat je het haalt. De Elfstedentocht van 1997 was heel pittig, toen zijn er veel mensen uitgevallen. Bij de start trof ik mijn zwager. Hij zei: ‘We kunnen wel samen schaatsen.’ En ik antwoordde: ‘Nou Geert, ik schaats mijn eigen snelheid en ik denk niet dat we veel met elkaar praten. We kunnen best samen op schaatsen maar ik denk niet dat het verstandig is om elkaar een tempo op te leggen.’ Het aardige is dat we toch de hele tocht samen hebben geschaatst. We kwamen samen in Dokkum aan en zagen daar een gigantische mensenmassa. Het was geweldig, zo moet het voelen als je Europacup I voetbalt in vol stadion. Alle schaatsers werden aangemoedigd, het publiek ging helemaal los en was in extase. Toen we Dokkum uit waren zei ik tegen mijn zwager: ‘Weet je wat doen? We gaan nog een keer.’ Dus toen zijn we nog een keer Dokkum in geschaatst, zodat we het nog een keer konden ervaren. Dat kon makkelijk want we hadden tijd zat. Dus ja, dat was wel leuk. In 1985 en 1986 was het niet zwaar, maar die van 1997 was wel pittig, een échte Elfstedentocht.

In 1997 deden de zoon van mijn Amsterdamse vriend en een vriend van mijn dochter mee, uit Rotterdam. Dat vond ik heel leuk. Toen wilde ik hem ook per se uit rijden, want zij een kruisje en ik niks: dat kon natuurlijk niet. Je valt altijd een aantal keren want er zitten natuurlijk altijd heel veel scheuren in het ijs. Hoe meer je voorin rijdt, hoe beter je de scheuren kunt zien. Behalve ’s ochtends, dan staan er trekkers op het ijs om bij te lichten. Maar zodra het licht is moet je zorgen dat je voorin het groepje zit want het is waardeloos als je elke keer komt te pletteren. Tegen de wind in schaatsen vind ik niet erg. Omdat ik nogal groot ben kreeg ik altijd een hele sliert achter me aan. Het is best gevaarlijk om in een groep te rijden, als het bijvoorbeeld op het eind van de dag is met mensen die niet behoorlijk kunnen kijken dan heb je nog kans om een schaats in je scheenbeen te krijgen van je voorganger. Als dat gebeurt kun je het schudden. Dus ik schaats het liefst op kop, ik vind tegen de wind niet erg en dan kan ik de scheuren goed zien.

Had u een voornemen voor als u zou finishen?

Nee, ik ben gewoon over de streep gegaan. Ik had een rugzak met een paar slippers en die deed ik dan aan. Er stonden wel allemaal mensen te klappen, er kwamen natuurlijk veel mensen over de finish. Iedereen ging dan met de bus naar de Frieslandhal om de medaille op te halen, en daarna ging ik gewoon met de auto naar huis. Niet dat het niet gezellig was hoor. Maar goed, thuis was het ook gezellig. En in de gemeente waar ik woon, hebben ze er later nog wel wat aan gedaan. Daar hebben ze de inwoners die hem hadden uitgereden bij elkaar gehaald. Wij hadden bijvoorbeeld ook Klasina Zeinstra, de winnares van 1997. We zijn allemaal met elkaar op de foto gezet. Ik weet niet of ik die foto nog heb, maar het was wel leuk om elkaar te ontmoeten. Ook de ijsvereniging, waarvan ik lid ben, heeft aandacht besteed aan het volbrengen van de tochten.

Wat is voor u het meest opvallende aan de Elfstedentocht?

Ik kan het eigenlijk niet onder woorden brengen. Mensen die hem niet geschaatst hebben of er geen gevoel bij hebben kunnen het niet begrijpen. Wij waren bijvoorbeeld tijdens de kerst in 1996 op vakantie in Wenen en het begon steeds harder te vriezen. Nou, ik kreeg helemaal een vreemd gevoel, en ik dacht: ‘Hoe moet ik hier mijn vrienden en mijn vrouw vertellen dat ik hier niet hoor. Niet nu.’ Om de één of andere reden zijn we toen naar huis gegaan en dat heeft mij gered. Want ik móest in Friesland zijn natuurlijk. Maar het gebeuren op zich, dat is iets heel aparts. Ik heb bijvoorbeeld die film over 1963 niet gezien, daar kan ik moeilijk naar kijken. Dat raakt mij enorm en dan denk ik ja, wat fantastisch dat ik hem heb kunnen schaatsen, maar ik hoef die commercie allemaal niet te zien. Want er is redelijk veel dat niet echt is.

Heeft u nog een aandenken?

Van een bevriende advocaat kreeg ik de tegeltjes van 1985 en 1986. Die van 1997 heb ik daarna zelf gekocht. Er is ook een brug met tegeltjes met je foto erop maar dat vind ik niks, dat is te commercieel voor mij. Dat is mijn Friese instelling: ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’.

De stempelkaarten zeggen mij op zich niet zoveel, maar die van 1997 heb ik nog wel.

In 1985 had ik mijn kantoor in Sneek aan het water aan de Elfstedenroute. En paar personeelsleden hadden een stuk uit de Leeuwarder Courant geknipt waarop stond: ‘Ik ben even schaatsen en ben zo terug’ en dat hadden ze op het raam van mijn kantoor geplakt. En daaronder stond mijn naambordje ‘J. Bleeker, gerechtsdeurwaarder’. Dat was leuk. Er kwam ook een foto van in de kranten en ik kreeg toen werkelijk uit het hele land van collega’s reacties van: ‘Jelle, ben je nog onderweg? ‘ en later begon een advocaat zijn schrijven aan mij met: ‘Geachte heer Bleeker, aangenomen dat u uit- geschaatst bent…’ Die reacties heb ik allemaal wel bewaard, dat vond ik ook wel leuk.

Wat zou u doen als er deze winter een Elfstedentocht zou komen?

Wat het sportieve betreft ben ik nog steeds actief. Ik ben 79 maar nog steeds aan het voetballen, schaatsen en fietsen. Ik gebruik ook geen medicijnen. Dat is haast wonderbaarlijk, maar er zijn er meer die niets hebben hoor. En natuurlijk, het kan morgen anders zijn, maar nu zijn mijn vrouw en ik goed.

Dat is wel heel fijn!

Ja, dat is lekker. Blijf in beweging, dat houdt je fit, ook tussen de oren. Ik zeg ook weleens tegen vrienden als ik ze zie: ‘We praten een kwartier over de ziektes en dan is het afgelopen.’
Maar stel je voor dat die Elfstedentocht er deze winter zal komen. Ik ben rijdend lid en ik heb een aantal uren extra doordat ik een heel vroege startmogelijkheid heb. Als hij door gaat dan ga ik mezelf testen. Want ik merk gewoon dat het, nu ik wat ouder word, lastiger is om op Thialf op de baan te rijden. Je wordt wat onzekerder. Maar hoe het op natuurijs is weet ik niet. Als het kan en ik kan de krachten verdelen, durf ik het wel aan. Ik heb Viking klapschaatsen met op maat gemaakte schoenen, dus ik heb vrij duur materiaal. Een vriend van me heeft een klemmetje aan mijn klapschaatsen gemaakt waarmee ik het klapsysteem uit kan schakelen. Want als je buiten schaatst en je komt met klapschaatsen in een scheur dan val je veel harder, omdat de schaats langer in de scheur blijft staan. Het systeempje is gemaakt met de gedachte dat er een Elfstedentocht kan komen.

Dus u bent er wel helemaal op voorbereid.

Ja, zoals ik nu ben wel. En ik ben niet iemand die zegt: ‘Nou, als ik Bolsward maar haal’, of zoiets. Nee, ik ga niet gokken hoe ver ik kom, ik moet de overtuiging hebben dat het lukt. En zo niet: dan is het kaartje voor iemand die jonger is en hem graag wil schaatsen. Niet zeuren.

Ik hoop voor u dat er snel weer een Elfstedentocht komt en dat u hem kunt schaatsen.

Ja, je moet zorgen dat je lid wordt.

Ik vind het heel knap, maar ik ga hem niet schaatsen hoor.

Het is een eigenlijk een kwestie van gewoon schaatsen.

Ja, maar wel heel lang.

Ja, maar daar wordt weleens wat overdreven over gedaan vind ik. Je moet er gewoon een dag voor uit trekken. Maar goed, het schaatsen ligt mij ook wel. Thialf ligt voor mij in de nabijheid dus daar schaats ik nog steeds. Ik heb alleen maar prettige herinneringen aan de Elfstedentocht, heb altijd met veel plezier geschaatst.

 

HANS WIELDRAAIJER

Hans was mijn collega bij de Rabobank en heeft in 1997 de Elfstedentocht geschaatst. Onder het genot van een biertje bij de Sarphaat liet hij mij het plakboek zien dat destijds voor hem gemaakt is en ik vroeg hem naar zijn herinneringen.

Hoe ben je op het idee gekomen om de Elfstedentocht te schaatsen?

Ik ben geboren in Dokkum en ben dus opgegroeid met de Elfstedentocht. Dokkum is een vestingstadje, dus ik was vroeger altijd al aan het schaatsen. Ik liep vanuit mijn huis de wal af en dan stond ik al op het ijs. Als ik terugdenk aan vroeger lijkt het ook alsof er áltijd ijs was in de winter. Mijn jeugdvriend Gert Jan en ik stonden tijdens de Elfstedentochten van 1985 en 1986 al langs de kant te kwijlen. We mochten toen nog niet mee rijden omdat we nog geen 18 waren. We wilden maar wat graag mee doen en konden ook goed schaatsen. Toen we een jaar of 13 waren reden we wedstrijden in Heerenveen. ’s Winters trainden we in Thialf en in de zomer moesten we daarvoor naar Drachten. We waren echter nog wel erg speels en niet serieus genoeg om ook thuis te trainen, dus na 2 jaar halen en brengen vonden onze ouders het welletjes. Toen we eenmaal de leeftijd hadden dat we wel mee mochten schaatsen, was door de tochten van ’85 en ’86 een lange wachtlijst ontstaan. Het was toen elk jaar weer afwachten of je in- of uit geloot werd, en áls je dan ingeloot was, was het nog afwachten of ie überhaupt door ging.
En in 1997 hadden we mazzel: we waren allebei ingeloot. Het was eerst wel spannend of het door zou gaan. Maar ik was er helemaal klaar voor, ik dacht laat maar komen. Ik was in die periode topfit. Ik was 26 en veel met sport bezig. Ik heb de Academie voor Lichamelijke Opvoeding gedaan en ik werkte toen al een jaar of drie als bedrijfsfitness instructeur.

 Wat heb je gedaan om je voor te bereiden?

Ik woonde in Mijdrecht en schaatste in Vinkeveen, daar woonde mijn toenmalige schoonfamilie. De Vinkeveense plas is natuurlijk dé plek waar je meters kunt maken. Ik ging ook in het donker schaatsen om te zien hoe dat is. Ik schaatste veel in Vinkeveen, ongeacht of er een Elfstedentocht kwam. Eigenlijk probeer ik elke winter als er ijs ligt te schaatsen. Het liefst in Friesland, als het mogelijk is neem ik dan een dag vrij. Maar anders in Loosdrecht of Ankeveen. Het liefst schaats ik met Gert Jan maar dat lukt niet altijd. En het liefst ook op natuurijs. Vroeger oefenden Gert Jan en ik ook op klunen. Dan deden we hele wedstrijden klunen, wie het eerst het weiland door was. Dan word je daar vanzelf wel goed in. Afgelopen winter schaatste ik weer eens op Jaap Edenbaan, en het is toch anders. Als ik 40 rondes heb gereden dan ben ik er wel klaar mee. Tijdens kerst en oud en nieuw had ik mezelf de feestjes niet ontzegd, maar desondanks was ik wel fit. Op de dag zelf zorgden we voor genoeg eten en drinken. En goede kleding is heel belangrijk. Het was best fris, en dan merk je niet dat je vocht verliest tijdens het schaatsen, zoals je dat bijvoorbeeld tijdens het hardlopen wel merkt. Ik had geen gelikte outfit, maar van alles bij elkaar geplukt: een skibril, bivakmuts, een wielerjasje van Gert Jan, en volleybal kniebeschermers onder mijn schaatsbroek.

En toen kwam ie opeens.

Op het moment dat bekend werd dat het door ging waren mijn ouders nog op vakantie in Oostenrijk. Hoe kún je het zo plannen. Mijn ouders baalden: ‘Nu gaat het gebeuren en nu zijn we er niet.‘ Omdat ik Dokkumer ben, wilde ik per se daar heen. De tocht komt ook echt bijna voor het huis langs. Mijn ouders wilden ook per se in Dokkum zijn, zij wilden eerder terug naar huis maar omdat het een groepsreis was en niet iedereen eerder terug wilde, is dat helaas niet gelukt. Uiteindelijk kwamen ze pas terug in de loop van 4 januari, de dag van de Elfstedentocht zelf. Ik zat dus een dag voor de tocht, met mijn familie en toenmalige schoonfamilie in mijn ouderlijk huis, maar zonder mijn ouders. Dat voelde heel lullig. Het was natuurlijk allemaal nieuw voor ons.
Toen ik een dag van tevoren naar Leeuwarden reed om mijn startbewijs op te halen in de Frieslandhal, voelde ik de spanning al. Ik was doodzenuwachting en heb die nacht geen oog dicht gedaan. Hier droomde ik als klein jongetje al van. ’s Ochtends vroeg gingen we eerst kijken naar de wedstrijdrijders op TV. Daarna ging ik met de bus van Dokkum naar Leeuwarden. Ik had schoenen aan waarvan ik wist dat ik ze nooit meer terug zou zien. Bij de start worden alle schoenen op een grote hoop gegooid, dus die vind je niet meer terug. Gert Jan en ik hadden hoge startnummers, dat betekent laat starten: 9.45 uur. Het voordeel ervan is dat je vertrekt als het licht is, maar je weet ook al dat je in het donker aan zult komen. En dat je aan moet poten want er zit een tijdslimiet aan, je kunt in Dokkum van het ijs worden gehaald als je na een bepaalde tijd aan komt.
Ik twijfel niet aan mijn snelheid maar er kan natuurlijk van alles gebeuren, je kunt bijvoorbeeld pech hebben of vallen. Een neef van Gert Jan, Andries, was ook mee. Ik kende hem niet zo goed, maar ik heb met hem het grootste deel van de tocht gereden. We startten met wind mee en gingen heel hard. Binnen no time waren we in Sneek. We schaatsten met snelheden van zo’n 30 á 40 km per uur. Toen kwam Gert Jan met zijn schaats in een scheur waardoor zijn ijzer krom ging staan, dus hebben we met zijn drieën overlegd wat we zouden doen. Gert Jan moest zijn spullen laten repareren want schaatsen ging echt niet meer. Hij is dus afgestapt en heeft iemand opgezocht die schaatsen repareert. We waren met zijn drieën gestart, en ik wilde heel graag met zijn drieën de tocht afmaken. Alleen had dat in dit geval kunnen betekenen dat, als zijn schaats niet gerepareerd kon worden, we allemaal niet meer verder konden rijden. Na overleg zei Gert Jan tegen ons: ‘Gaan jullie maar verder, ik haal jullie wel weer in’. En dat heeft hij waargemaakt ook, maar wel pas in Dokkum. Vanaf Stavoren en Hindelopen kregen we al meer tegenwind, en die werd steeds sterker. Toen moesten we in groepen gaan rijden, met steeds iemand anders op kop zodat we om de beurt er achter weer wat op krachten konden komen.

Is dat een afspraak die iedereen kent?

Ja, dat is heel raar want je schaatst met mensen die je helemaal niet kent. Ik riep alleen af en toe Andries om even te checken of hij er nog was, maar het voelde alsof ik met vrienden reed. Ik wist achteraf echt niet meer met wie ik gereden had maar we hadden allemaal het zelfde doel en wilden dus voor elkaar werken. Bij Harlingen was het donker geworden en hadden we volop tegenwind. En toen we bij Bartlehiem waren en nog 35 km moesten, leek het alsof er geen einde aan kwam. Ik kende het gebied goed maar omdat het donker was herkende ik niets, en bovendien was het een tyfus eind. En de heen- en terugweg liggen naast elkaar dus de mensen die al in Dokkum hebben gestempeld zie je al terug schaatsen. In Dokkum aan komen was euforisch. De sfeer was als in een voetbalstadion, door de mensenmassa en de lichten. We kregen er een warm onthaal en daar heb ik ook mijn ouders gezien, die in de loop van de dag waren teruggekomen uit Oostenrijk.

Je kijkt heel gedreven.

Ja, ik had vreselijke honger. Écht honger. Het was eigenlijk helemaal niet leuk.

Wat was niet leuk?

Ik was zelf niet leuk. Ik was heel chagrijnig en niemand mocht aan me komen. Terwijl die mensen daar stonden voor mij. Maar ik was zo kapot. Ik heb het ze later gelukkig wel uit kunnen leggen. Ik kwam met Andries samen in Dokkum aan, en we zijn er in totaal zo’n 20 minuten in Dokkum gebleven. Opeens was Gert Jan er: hij had zijn woord gehouden en kwam ons inhalen. Hij had het hele stuk van Sneek tot Dokkum alleen afgelegd. Hij was helemaal koud en zweterig. Hij is het ijs af gegaan, en is bij zijn ouders in bad gaan zitten. Maar Andries en ik konden gewoonweg niet nog langer wachten. Ik móest echt door. Dus wij zijn weer verder gegaan. Het laatste stuk naar Leeuwarden hadden we wind mee. Over de Dokkumer Ee, waar veel visfuiken zijn. Die stokken steken uit het ijs. Aan sommigen waren lantaarns gehangen maar lang niet bij allemaal. Omdat je niets ziet kun je er makkelijk over vallen. Bij het laatste stuk over de Bonkevaart werden we verblind door de schijnwerpers. Toen zagen we het gemaaide riet aan de zijkant ook niet meer. Ik heb wel wat valpartijen gezien en aan dat gemaaide riet kun je behoorlijk openhalen. Maar het is ons gelukkig bespaard gebleven. En het allerlaatste stuk voor de finish was wel relaxter.

Had je een voornemen voor als je zou finishen?

We hadden afgesproken dat we een biertje zouden drinken als we over de finish waren. Maar eenmaal over de streep keken we elkaar aan: ik moest er niet aan denken. Ik was misselijk, en bij de gedachte aan bier moest ik bijna overgeven. Ik had mijn schoenen op die grote hoop achter gelaten dus ik had Spaanse slofjes mee om mee naar de bushalte te lopen. Eenmaal thuis ging ik gewoon slapen en eigenlijk snel daarna weer over tot de orde van de dag. Veel mensen vinden het knap dat ik hem uit geschaatst heb en dat is misschien ook. Maar het leven is daarna al snel weer gewoon. Ik heb een week spierpijn gehad maar het was het meer dan waard. Ik had het voor geen goud willen missen.

Wat is voor jou het meest opvallende aan de Elfstedentocht?

Dat ik niet één keer gevallen ben, dat vind ik het meest frappant. Schaatskwaliteit is één, maar alles op tijd zien: scheuren, tegenliggers op het ijs of mensen aan de kant, zand op het ijs… de kans dat je valt is best groot. Maar dat is me helemaal bespaard gebleven. Daar had ik echt geluk mee. En de geweldige sfeer in elk plaatsje. Ondanks de vermoeidheid en het feit dat ik mijn lichaam ging voelen, werd ik daardoor enorm opgepept. Maar ook de verbroedering. Mensen die elkaar niet kennen helpen elkaar, je mag bij wildvreemden naar de wc en er worden spontaan borden erwtensoep aangeboden. Friezen zijn dan misschien een apart volkje maar dat gebeurt er toch maar allemaal.

Heb je nog een aandenken?

Ik heb nog een boek met krantenknipsels. Ik ben nu blij dat ze dit boek toen voor me gemaakt hebben want heel veel maak je op de dag zelf niet mee. Ik was daar zelf totaal niet mee bezig. Sterker nog, ik ben mijn kruisje kwijt. Volgens mij heb ik ergens nog wel het stempelkaartje liggen en de armband. Er zijn namelijk ook weleens zwartrijders geweest. Als hij nu door zou gaan zou iedereen een chip krijgen, maar wij hadden een band om onze arm zodat zichtbaar was dat we legaal mee reden. En ik heb ook nog wel een videoband met beelden van de tocht en de finish.

Wat zou je doen als er deze winter een Elfstedentocht zou komen?

Ik ben wel benieuwd hoe het nu zou gaan als er weer een Elfstedentocht zou komen. Gaat heel Nederland er dan heen en wordt het een heel commercieel feest of blijft toch traditioneel en lekker een beetje kneuterig? We zijn nu 22 jaar verder. Ik schaats nog maar heb rugproblemen en heb net een operatie kunnen voorkomen. Ik ben een tijdje gestopt geweest met voetbal, wat ik nu wel weer doe, maar ik wil ook nog wel een aantal jaren actief blijven. Ik heb altijd bewogen en wil dat ook blijven doen. Al het sporten heeft misschien ook wel zijn tol geëist, al zal ik nooit weten of ik minder last van mijn rug had gehad als ik dat niet had gedaan. Maar deze Elfstedentocht heb ik in the pocket, en als ik hem nog een keer mag doen dan doe ik het. Ik zou het ook heel leuk vinden om mijn huidige gezin en mijn vader – mijn moeder is inmiddels overleden –zou ik het echt gunnen om dit nog een keer mee te maken. Dat heb ik als 15, 16-jarige ook mee gemaakt. Mijn vader woont nog steeds in het hetzelfde huis. Hij is 80 maar ondanks zijn leeftijd is hij, los van wat ouderdomskwaaltjes, nog fit. Ik ben trots op Dokkum. Al is het niet meer mijn thuis, daar liggen wel mijn roots.